Historie

Geref. Kerk (Vrijg) te Hoek

De Geref. Kerk (vrijg) te Hoek bestrijkt tegenwoordig een groot grondgebied. Bijna geheel Zeeuws-Vlaanderen ten westen van het kanaal Gent-Terneuzen behoort er toe.

Sinds de laatste herindeling van 1 jan.2003 zijn er nog drie burgerlijke gemeenten in Zws-Vl.  Hulst in het oosten, Terneuzen in het midden en Sluis in het westen. Alle gemeenten worden aan de noordkant begrensd door de Westerschelde en aan de zuidkant door de grens met Belgie.

Er zijn vier kerkelijke gemeenten, allen hun basis hebbend op het grondgebied van de burgerlijke gemeente Terneuzen: Axel, Hoek, Terneuzen en Zaamslag, en Gent (België)samen vormend de classis Axel.

GESCHIEDENIS.  

Van de vroegste geschiedenis is weinig bekend. In het uiterste oosten van Zws.-Vlaanderen komt (als enige plaats in Europa) een stukje pleistoceen aan de oppervlakte waar opgravingen plaatsvinden.(Groeve van Nieuw-Namen). 
In het westen worden opgravingen gedaan in en rond Aardenburg, welke plaats in de Romeinse tijd een belangrijk garnizoen had.

Verder is Zeeuws-Vlaanderen, net als andere delen van Zeeland, ontstaan door inpolderingen van schorren en slikken, dikwijls weer te niet gedaan door oorlogsgeweld, stormen en watervloeden, maar altijd weer opnieuw bedijkt en in gebruik genomen, eerst door monniken van abdijen uit Vlaanderen, later door burgerlijke overheden en particuliere maatschappijen.   

Zo is ook het dorp Hoek ontstaan. In de middeleeuwen lagen verschillende dorpen op schiereilanden in de delta. Een ervan was Vremdijck, iets ten noorden van het huidige Hoek. Meermalen was het ondergelopen en beschadigd en na verloop van tijd weer hersteld.
Rond 1570 was het dorp weer overstroomd, maar 2 jaar later werd het land weer bedijkt en begon al het herstel.

Ook het kerkelijk leven vond er doorgang. De reformatie had hier reeds plaatsgevonden, maar in de omgeving werd nog regelmatig gevochten tussen de Spanjaarden en troepen van de prins van Oranje.
De eerste (nog aanwezige) notulen van de Hervormde gemeente van Vremdijck zijn van het jaar 1590. De predikant was Ds. G. Maresch, hij was ook predikant in (Ter)Neusen. Een combinatie, die blijkbaar niet ideaal was vanwege de slechte wegen, oorlogsdreiging en in de winter de vroeg invallende duisternis, wat het heen en weer reizen bemoeilijkte.

Daarna, in 1592, werd Ds. Johannes Bollius als eerste predikant van Vremdijck bevestigd: “Dienaer over de polders en de kercke van Vremdijck”.
Hij kreeg er ook nog Biervliet bij, maar vanwege de ligging aan de andere kant van de Braakman heeft hij daar niet veel kunnen doen en is er maar enkele malen voorgegaan.

In het jaar 1601 werd Vremdijck weer overstroomd en nu voorgoed. De bewoners vluchtten, de huizen waren ingestort en ook de kerk bleek het niet te houden.
De meeste inwoners waren vertrokken naar het een paar km zuidwaarts gelegen Mauritsfort, een gloednieuwe versterking, opgeworpen in opdracht van Prins Maurits door de Staatse troepen tegenover het in Spaanse handen zijnde Philippine.
De dominee kreeg ook onderdak in het fort en kon van daaruit zijn werk voortzetten. Diensten werden eerst in een schuur bij zijn huis gehouden.

Later, in 1608, werd een nieuwe kerk gebouwd op “Den Hoeck”, hoekpunt van drie polders, gelegen tussen het Mauritsfort en het vroegere Vremdijck, waar drie wegen samen kwamen.

Deze plek is uitgegroeid tot het dorp Hoek.

In de jaren daarna was de invloed van de 80-jarige oorlog nog goed merkbaar. Dichtbij gelegen plaatsen als Hulst en Sas van Gent bleven nog tot bijna aan het eind van de oorlog in Spaanse handen. Omdat men beducht was voor infiltraties werd daarom scherp opgetreden tegen Roomse burgers, die soms nog in de buurt woonden, zich in deze contreien verhuurden als knecht of voor andere doeleinden in de buurt rondtrokken. 

De kerk van Hoek behoorde tot de classis Walcheren evenals alle andere gemeenten van de reformatie in Staats-Vlaanderen.
Het waren er inmiddels zoveel, dat zij zelf een classis wilden oprichten in
de regio, maar dit werd door de Staten van Zeeland, die op kerkelijk gebied ook een redelijke vinger in de pap hadden, niet toegestaan, waarschijnlijk omdat men zijn invloed niet wilde verliezen met nog steeds de Spanjaarden aan de achterdeur. Kerk en Staat waren nog niet zo gescheiden als tegenwoordig.

In de volgende eeuwen was het op Hoek niet veel anders dan elders in het land. Er was veel armoede, de kerkeraadsverslagen spreken van tuchtgevallen, vechtpartijen, dronkenschap, beschuldigingen van hekserijen, ontheiliging van de zondag, kerkrechtelijke onenigheden enz.

Kort voor de Franse tijd, tegen het eind van de 18e eeuw, werd tegen de predikant een bezwaarschrift ingediend omdat hij in een preek had gezegd dat er onder zijn hoorders “Belialsmannen waren, die het bloed des Nieuwen Testaments onrein achtten en daarom maar beter met een steen om de hals in het water geworpen konden worden”. Er ontstond grote onrust in de gemeente en daarom wilde men weten op wie hij doelde en waarom hij dat gezegd had.
Wat er precies is uitgekomen, is niet bekend, maar binnen het jaar was hij verdwenen.

Tijdens de Franse overheersing waren er problemen met het tractement van de dominee, dat nu niet meer door de overheid betaald werd. Er werd een rondgang in de gemeente gehouden, maar die leverde slechts een derde op van zijn normale wedde, zodat ook hij na enige tijd de gemeente verliet.

In de jaren na 1815 bracht de gezangenkwestie veel onenigheid. De dominee was voorstander van het zingen van evangelische gezangen, een groot deel van de gemeente verzette zich ertegen. Ook in de omliggende gemeenten was er veel verzet. De predikant van Hoek werd dan ook openlijk uitgescholden voor “liedjeszanger”. 
Inmiddels was de gemeente zodanig gegroeid, dat het kerkgebouw veel te klein was geworden; men zat ’s zondags in de gangpaden, op het kerkhof, zo ver als men de dominee nog horen kon.
Er werden daarnaast doordeweeks wel bijbelstudie-oefeningen gehouden, maar die werden voornamelijk bezocht door de armen. Ze kwamen ’s zondags niet in de kerk omdat ze geen plaatshuur konden betalen! 

In 1824 werd de kerk vergroot zodat er weer 100 mensen meer in konden.
De afscheiding had in Hoek weinig navolgers. Een enkeling scheidde zich af en begaf zich elke zondag 15 km te voet naar Axel, maar werd tijdens die tocht door dorpsgenoten regelmatig met modder bekogeld.

Later kwamen de afgescheidenen bij de kerk van Terneuzen.
Totdat aan het eind van de 19e eeuw een aantal broeders uit Hoek, onder leiding van de schoolmeester van de pas opgerichte Chr. School, aan de kerkeraad van Terneuzen vroegen of het niet eens tijd werd, dat “op Den Hoek de kerk des Heeren weer tot openbaring kwam”.

De kerkeraad van Terneuzen was daartegen, mede omdat tot het grondgebied van de burgerlijke gemeente Hoek de Nieuw-Neuzenpolder behoorde. Daar woonden een aantal welgestelde boeren, die de kerk van Terneuzen niet graag kwijt wilde als gemeenteleden.
Onder druk van de classis kwam het toch voor elkaar zodat in mei 1903 de Gereformeerde Kerk te Hoek officieel werd geinstitueerd.

In de jaren daarna kwam het gemeenteleven tot ontwikkeling. Binnen korte tijd werden kerk en pastorie gebouwd en kon men een predikant beroepen.
Niettemin was er veel armoede(de classiskerken moesten altijd bijspringen), er waren veel probleem-en tuchtgevallen en men maakte zich zorgen over de jeugd(net als 200 jaar eerder en 100 jaar later). Toch was de kerkeraad van mening,”dat: vrees om leden, die toch al een schande voor de gemeente zijn, te verliezen, geen motief mocht zijn om de tucht niet te handhaven”.

In de crisistijd was het vooral de diaconie, die moeite had om de armen bij te staan en daarvoor nog al eens moest overleggen met familie van de betrokkenen of met de burgerlijke overheid.
In de 2e wereldoorlog waren er moeilijkheden met gemeenteleden, welke lid waren van de NSB.

Ook was er de kerkstrijd, die leidde tot de vrijmaking.
De kerkeraad onder leiding van Ds. Francke, diende bij de classis Axel een verklaring in, dat hij de binding aan de leeruitspraken van de synode niet voor zijn rekening kon nemen en evenmin de schorsingen en afzettingen, die daaruit voortvloeiden.

Pas in 1945, na de bevrijding, kwam deze verklaring op de classis ter sprake, waarna de afgevaardigden van Hoek, samen met andere bezwaarden uit de omliggende gemeenten, werden weggestuurd van de classisvergadering. 
De kerkeraad met ongeveer 2/3 van de leden maakte zich daarop vrij. Dit was niet geval in de kerken van West-Zeeuws Vlaanderen, waar de meerderheid zich aan de synodale leeruitspraken onderwierp en slechts enkelen zich vrijmaakten.

Een aantal jaren is er een zelfstandige gemeente in W.Z.Vl geweest: Schoondijke/Oostburg, maar sinds 1973 ressorteert heel het gebied weer onder de kerk van Hoek.
De perikelen in de jaren 60, die leidden tot het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken, zijn grotendeels aan Hoek en de andere gemeenten in Zws-Vlaanderen voorbijgegaan.
Blijkbaar was het kerkvolk(en de kerkeraad) nog niet toe aan een nieuw conflict en hield men zich buiten de strijd.

Door ontwikkelingen binnen (maar ook zeker buiten) de kerk heeft men de laatste 30/40 jaar wel het gevoel gekregen,dat men steeds meer buiten de burgermaatschappij is komen te staan.
Het z.g. “exclusief vrijgemaakte”, zich uitend in kerk, school, politiek en eigen organisaties, heeft, hoe waardevol ook, de afstand naar “hen, die buiten zijn” soms erg vergroot. Maar uiteraard hebben ook algemeen maatschappelijke ontwikkelingen een zelfde, zo niet grotere invloed gehad op deze afstand.
Anderzijds hebben die “buitenkerkelijke” ontwikkelingen toch ook hun invloed op de kerk en het kerkvolk en daarvan zijn de gevolgen merkbaar, soms ten goede, soms ten kwade.

Bronnen: 

Dr. J.Wesseling: Kerkelijk leven in Hoek 1590-1840.

Dr. K. Deddens: De Geref. Kerk te Hoek, 1903-1978.

J. Platteeuw: Hoek en omgeving, vroeger en nu. 

Archief Geref. Kerk Hoek.