Troost, troost mijn volk, zegt jullie God. Jes. 40:1.

God wil ons troosten.

Dat heeft onze belijdenis goed begrepen.
In art. 17 van de NGB staat dat God de mens, toen hij zich in de dood gestort had, zelf is gaan zoeken.
God heeft de mens getroost door hem de belofte te geven van Zijn Zoon om hem voor eeuwig gelukkig te maken.
De catechismus begint met de vraag: Wat is uw enige troost in leven en sterven.
En ook in de Dordtse leerregels staat in hoofdstuk 1, art.14, dat de leer van Gods uitverkiezing aan de kerk is toevertrouwd tot een levende troost van Gods volk.
Om deze troost bidden we al bij de kinderdoop.
En in ons leven mogen we ook voortdurend bidden om Gods nabijheid en de troost van Zijn beloften die we in de bijbel terugvinden.

De bijbel is een geweldig troostboek.
Het is ook de bedoeling om daaruit troost te putten. Niet door elkaar met een enkele tekst of regel om de oren te slaan. Die kan zo maar uit z’n verband gerukt zijn en de plank volledig misslaan.
Het gaat om troost uit de hele schrift en daarom is het nodig die goed te lezen en te gebruiken.
Bijbelkennis, bijbelstudie, helpt ons bij het zoeken naar Gods troost. Niet alleen. De farizeeën en schriftgeleerden deden niets anders dan hun bijbel bestuderen en hun kennis van de regels was groot, maar ze zagen voorbij aan Degene waarop alles in de bijbel gericht is: Jezus Christus. (Joh.5:39)
Dat is Gods antwoord op al onze vragen: Jezus Christus, van Hem komt het evangelie, onze enige troost in leven en sterven.

(vrij naar Ds. G. Zomer: Geef me maar een kus)