Wanneer ben je vrij?

We hebben het maar druk met onze vrijheid. In ons leven wordt vrijheid dikwijls beschouwd als: Mogen doen en zeggen wat je zelf wilt, je niets van iets of iemand aan hoeven trekken. 

De praktijk is anders. We leerden op  catechisatie al dat onze vrijheid een vrijheid in gebondenheid is. Gebonden aan de ruimte die God ons geeft, niet meer ruimte nemen dan een ander het toelaat.

Ik las daarover een mooie geschiedenis. Iemand was op bezoek in een klooster. Hij wist niet beter dan dat de kloostertuin een ruimte was voor de monniken om te vertoeven, te mediteren. De broeder, die hem rondleidde, vertelde echter een heel ander verhaal. Die tuin waaromheen meestal het klooster gebouwd is, wordt nauwelijks betreden door de monniken. Hij wordt gezien als een afspiegeling van het paradijs. Als de heilige ruimte van God met een paradijsboom in het midden. Enkel te betreden door de monnik die het onderhoud pleegt.

Dat zette de bezoeker aan het denken. God legde een tuin aan en plaatste de mens erin om die te bewerken en erover te waken (Gen.2:15). Toch pikte de mens een extra stukje ruimte in. Hij overtrad de door God gestelde grens van zijn  vrijheid door te eten van de boom van goed en kwaad. Dat ligt ook aan de basis van ons zondig leven. Meer ruimte nemen dan ons toekomt. Ons zelf figuurlijk breed maken zodat anderen moeten inschikken. In ons doen en laten, in onze gesprekken. Gods Woord leert ons dat anders:  Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Geef Hem en de ander de ruimte. Als je je naaste lief hebt, schik je zelf in, geef je de ander de ruimte.

God deed het ons voor: Want alzo lief. . . . . . . . . . . . . . . .

 

Han